De nieuwe jeugdwet sluit rouwende kinderen uit van zorg

Mariken Spuij
Mariken Spuij

 

De nieuwe Jeugdwet maakt het moeilijker om de juiste hulp te vinden voor rouwende kinderen, aldus Mariken Spuij. “Je mag straks niet meer zelf je eigen zorgverlener kiezen.” Spuij, orthopedagoog en klinisch psycholoog bij de Universiteit Utrecht, verdedigt vrijdag 27 juni haar proefschrift waarin ze stelt dat een klein deel van rouwende kinderen lijdt aan gecompliceerde rouw: een verscheurend verlangen naar de overledene. Deze kinderen hebben volgens haar professionele ondersteuning nodig. 

Spuij voegde tien stellingen toe haar aan haar proefschrift ‘Prolonged grief in children and adolescents’ (zie vorige blogpost). Ik vroeg haar tijdens een  kop koffie om een toelichting op de prikkelendste  stellingen:

Gemeenteraadsleden krijgen een zware taak met alle nieuwe verantwoordelijkheden die zijn geregeld in de nieuwe Jeugdwet. Vanaf 2015 wordt de zorg voor jeugd helemaal ondergebracht bij gemeenten. Het is daarom opmerkelijk dat politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s niet of nauwelijks aandacht  besteedden hoe zij denken deze verantwoordelijkheid vorm te gaan geven. En het is zeer zorgelijk dat de opkomst voor de Gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart 2014 zo laag was.

“Als kiezers zich bewust zouden zijn van de enorme veranderingen die gaande zijn in de zorg, dan zouden ze denk ik in actie komen. Dan hadden wellicht veel meer mensen hun stem uitgebracht. Maar je ziet dat politici niet weten wat er op ze afkomt, het daarom niet in de verkiezingsprogramma’s opnamen, en we dus niet beseffen wat er straks gaat veranderen.

Het grootste gevaar van de nieuwe wet is dat je straks mensen uitsluit van zorg. Je mag niet meer zelf je eigen zorgverlener kiezen, je bent afhankelijk van de doorverwijzing van het buurtteam. Als je weet dat je in Utrecht de perfecte zorg voor je kind kunt halen, dan mag dat straks niet meer als het buurtteam vindt dat je ook in Amersfoort terecht kunt, je eigen stad.

In het team zitten wel professionals, maar in principe geen specialisten . Het gevaar is dat er vooral hulp geboden wordt aan kinderen die lastig zijn. Maar kinderen met internaliserende problemen, waarbij de problemen zich dus niet uiten in overactief gedrag en agressie  maar in sociale teruggetrokkenheid en depressie, kunnen over het hoofd gezien worden. De oplossing is getrapte zorg. Voeg specialisten toe aan het buurtteam die verantwoordelijk zijn voor de diagnose. “

Het is belangrijk om kinderen in rouw zelf te bevragen over hoe zij zich voelen na een verlieservaring, hoe zij er mee omgaan en wat zij denken over hoe het hun leven beïnvloedt.

 “Er blijkt weinig overeenstemming tussen wat ouders zeggen over hoe het met een kind gaat, en wat het kind zelf zegt. Sommige ouders maken zich teveel, andere maken zich te weinig zorgen. Informatie die ouders geven omtrent het welzijn van hun kind kan dan, zonder dat ze het zelf weten, onbetrouwbaar zijn. Daarom moet je echt aan kinderen zelf vragen hoe het met ze gaat.

Een vragenlijst specifiek gericht op het bevragen van een rouwende kind is daarbij van het allergrootste belang maar die bestond nog niet. Om te achterhalen of gecompliceerde rouw ook bij minderjarigen kan voorkomen, ontwikkelde ik een vragenlijst om deze hevige vorm van rouwen te kunnen meten bij kinderen en jeugdigen. Vervolgens konden we een adequaat hulpaanbod ontwerpen voor kinderen met rouwklachten.”

Kinderen in rouw zijn niet zielig en niet anders dan hun leeftijdgenoten zonder ingrijpende verliezen.

“Kinderen die iemand verloren, hebben wel wat nodig, maar geen zieligheidsfactor. Die factor zegt iets over hiërarchie. Jij als volwassene maakt kinderen hiermee kleiner. Ja, ze hebben iets verschrikkelijks meegemaakt. Maar vind je ze zielig, dan geef je aan dat ze iets niet kunnen en dan neem je iets van ze over.

Zieligheid helpt je dus niet. Wat wel helpt is iemand die naast je durft te staan. Iemand die het verdriet niet van je overneemt, maar luistert naar wat je nodig hebt. Je moet als volwassene daarom niet aan de ouders, maar aan de kinderen vragen hoe het met ze gaat. En als nu blijkt dat een kind kampt met gecompliceerde rouw, dan lijkt het noodzakelijk dat het een specifieke behandeling krijgt.”

Het is zinvol om ouders actief te betrekken bij de behandeling van hun kind dat lijdt aan de gevolgen van een ingrijpend verlies.

 “We betrekken ouders bij de behandeling van gecompliceerde rouw, maar we organiseren geen gezinssessies. Bij gezinstherapie ga je uit van het gezin als probleem, terwijl het meestal individuele krachten zijn die veranderd moeten worden, zoals hardnekkige, negatieve gedachten of vermijdingsgedrag. Er zijn negen sessies alleen met het kind, en vijf sessies alleen met de ouders. Kinderen kunnen ouders kunnen wel bij een gedeelte van het gesprek vragen en ouders krijgen inzage in de behandeling van hun kind doordat we rouwhulpmappen meegeven waarin staat wat er aan bod komt tijdens de behandeling. Het is dus heel transparant.

De individuele therapie blijkt vaak de angel uit het gedrag te halen van kinderen en van hun ouders. Ze hoeven zich niet anders voor te doen dan ze zich voelen. Een kind dat zich bijvoorbeeld altijd als de ideale zoon gedraagt in bijzijn van zijn ouders, omdat hij hen niet nog verdrietiger wil maken, hoeft dat niet meer in therapie te doen. Ouders hoeven daar ook niet meer de ideale ouders te spelen. Je zou kunnen zeggen dat een kind tijdens de behandeling leert om bij nare gedachten of negatieve aannames anders te gaan denken waardoor het zich anders gaat voelen. Dit geldt ook voor ouders. Het kind en zijn ouders hebben overigens dezelfde begeleider.”

Meer informatie over het werk van Mariken Spuij:

www.rouwhulp
www.marikenspuij.nl

Daan Westerink, 25 juni 2014

 

 

 

 

Over Daan Westerink 555 Artikelen
pedagoog (MEd), rouwdeskundige, docent en onderwijsontwikkelaar, publicist, mediator, trainer en social media expert.