Rouwonderzoekers anno 2014. Het verschil tussen feiten en fabels

1-s2.0-S0272735809001627-gr1
The Dual Process Model of Coping with Bereavement (Stroebe & Schut, 1999)

De afgelopen maanden was ik veelvuldig aan het woord in de media n.a.v. de vliegtuigramp #MH17. Ik ben journalist en gespecialiseerd in coping, de manier waarop nabestaanden omgaan oftewel ‘dealen’ met een intense verlieservaring. Daarnaast bestudeer ik rouw-uitingen via de sociale media. Ik noem mezelf ook wel onderzoeksjournalist en rouwdeskundige.

Mijn rouwkennis is gebaseerd op recent wetenschappelijk onderzoek. Er zijn zoveel achterhaalde theorieën in omloop over hoe mensen rouwen, dat ik het als mijn taak zie de kaf van het koren te scheiden. Ik benader rouw op wetenschappelijke wijze, zonder mijn ogen te sluiten voor de dagelijkse praktijk.

Het is fijn dat ook na de verschrikkelijke vliegtuigramp veel behoefte aan duiding was binnen de media. Duiden betekent dat je geen eigen mening of theorie verkondigt, maar dat je verschillende visies op de werkelijkheid naast elkaar kunt leggen. Verschillen kunt uitleggen. Ik ben zo’n duider. Maar ik ben geen onderzoeker. Ik ben journalist. Duiden: dat kunnen de onderzoekers zelf ook heel goed.

Dit zijn onderzoekers met wie ik heel graag samenwerk: Paul Boelen (volwassenen en rouw), Mariken Spuij (kinderen, jongeren, gezinnen en rouw), Eva Alisic (kinderen en trauma), Maggie Stroebe-Harrold (samen met Henk Schut ontwierp zij het Duale Procesmodel Omgaan met verlies) en Jos de Keijser (rouw na moord /vermissing / suïcide).

Uit hun onderzoek, en dat van andere wetenschappers, blijkt bijvoorbeeld dat wat voor de ene nabestaande lijkt te kloppen (praten over verlies is belangrijk), voor een ander helemaal niet blijkt te gelden (afleiding is minstens zo belangrijk). De een wil heel graag zijn rouw publiekelijk delen, de ander rouwt het liefst in de eigen omgeving. Er is geen ultieme waarheid. Zo kun je niet spreken van ‘het zwaarste verlies’ en kun je ook niet voorspellen hoe lang een rouwproces duurt. Dat is namelijk afhankelijk van allerlei factoren.

Niet alleen zijn er een heleboel misvattingen over hoe volwassenen rouwen: ook over kinderen die een verlies meemaakten zijn er allerlei fabels in omloop. Dat het altijd goed is om aan een rouwgroep op school deel te nemen bijvoorbeeld; dat er altijd sprake is van een verstoorde hechting en van een trauma als een kind een ouder of broer / zus verliest. We labelen wat af in dit land, stigmatiseren maar raak en verzinnen de ene na de andere nieuwe, niet door onderzoek onderbouwde rouwtheorie. Onnodig en kwalijk bovendien.

Zo is school voor veel kinderen een plek waar ze even helemaal niet hoeven bezig te zijn met thuis en zegt het feit dat een kind na de begrafenis van zijn vader lekker in de voetbalkooi aan het klooien is niet dat hij het verlies ontkent of juist nergens meer mee zit. Als een kind in een voetbalkooi een balletje trapt, dan ontkent hij de dood van zijn vader niet, dan trapt ie op dat moment tegen een balletje. Punt uit. School, maar ook de sportclub, de speeltuin, allemaal plekken waar ze met vriendjes en vriendinnetjes spelen, waar ze bij kunnen komen. Noodzakelijk als het thuis even helemaal niet zo fijn is.

Natuurlijk is het belangrijk dat docenten en anderen die kinderen begeleiden weten wat er thuis aan de hand is. En ja, er zijn kinderen die vastlopen in hun rouw. Maar dat geldt lang niet voor ieder kind dat een dierbare verliest. Bepaal dus niet voor een kind of een volwassene waar hij zijn rouw al dan niet openlijk moet uiten. Bepaal niet voor hem of haar wat er nodig is. Doe dat in overleg. En dat begint altijd met een vraag. Aan kinderen, jongeren en volwassenen die een belangrijk iemand verloren. En aan onderzoekers.

Comments

comments

Over Daan Westerink 481 Artikelen
Journalist | Author | Bereavement expert | Journalist | Auteur | Rouwdeskundige |

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


Reacties Beschermd door WP-SpamShield voor WordPress