De euthanasiewet omzeilen met palliatieve sedatie

Foto euthanasiewetDe zelfmoord van huisarts Tromp maakt duidelijk dat het nog immer onduidelijk is of artsen de euthanasiewet omzeilen en daardoor overstappen op palliatieve sedatie. In die woordenstrijd lijkt de patiënt zelf vergeten. Die is er meer bij geholpen als elk ziekenhuis komt met een ’overlijdensplan’. 

Voor een boek over hoe het is te leven zonder ouders, sprak ik ooit met volwassen zonen en dochters over de laatste levensfase van hun vader of moeder. Ze hadden veel lof voor de artsen, maar ook kritiek, vooral op de soms haperende communicatie met de artsen. Dat levert schrijnende situaties op aan het sterfbed.

Ze vertelden ook over de praktijk van palliatieve sedatie, waar journalist Rob Bruntink het boek ’De laatste slaap’ over publiceerde (Trouw, 2 februari 2008). Het boek maakte veel los.

Bruntink stelde dat artsen steeds vaker palliatieve sedatie toepassen, een medische handeling voor het bestrijden van ondraaglijke pijn gedurende de laatste levensfase. Voor palliatieve sedatie is namelijk – in tegenstelling tot euthanasie – geen toestemming van de wetgever nodig als de verwachting is dat een uitbehandelde patiënt binnen twee weken overlijdt. Het is een medische handeling, gericht op pijnbestrijding. Dit in tegenstelling tot euthanasie: dat is het verzoek van een patiënt om levensbeëindiging.

Hoewel euthanasie sinds 2002 niet meer strafbaar is, moet er wel aan zorgvuldigheidseisen voldaan worden, en dat betekent veel extra rompslomp. Bovendien kun je als arts aangeklaagd worden als er een vermoeden bestaat van ‘verkeerd handelen’, zoals huisarts Tromp overkwam.

Tromp zou palliatieve zorg hebben verleend aan een patiënt in de terminale fase. Hij diende de man morfine toe waarna deze korte tijd later overleed. Volgens de Volkskrant deed een collega van Tromp, die bij de dood van de man aanwezig was, melding bij de inspectie, die justitie inschakelde. Diezelfde nacht vielen meerdere rechercheurs tegen middernacht bij de huisarts binnen. De man werd urenlang verhoord. Ook de weduwe van de patiënt werd drie dagen na de begrafenis van haar echtgenoot urenlang gehoord door de politie. Zij gaf in een interview bij RTV Noord-Holland aan dat de arts goed had gehandeld. Zes dagen na de verhoren beroofde Tromp zich van het leven.

De KNMG (de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst) onderzoekt de zaak Tromp, maar viel eerder, na de publicatie van ‘De laatste slaap’ over Bruntink heen. Hij zou artsen bewust in een kwaad daglicht stellen, terwijl palliatieve sedatie helemaal niet als verkapt euthanasiemiddel gebruikt wordt.

De zaak Tromp laat in ieder geval zien dat hier op zijn minst twijfel over kan bestaan. Wist Tromp dat de dosis morfine de patiënt fataal zou worden? Was hier sprake van euthanasie of van palliatieve sedatie? En als er sprake was van euthanasie, waarom is het protocol dan niet gevolgd? En waarom worden artsen die een legaal middel toedienen na vragen als een crimineel behandeld?

Hoe naar ook voor huisarts Tromp, en ook voor de arts die getuige was van de dood van de patiënt: wie ik mis in deze hele discussie is de patiënt zelf. Er wordt nergens gevraagd wat het beste is voor degene die weet dat het einde nadert.

Duidelijkheid, dat heeft een patiënt nodig. Of hij in het uiterste geval zonder pijn mag sterven, bijvoorbeeld. En zo ja; hoe dan. Want sedatie klinkt heel vriendelijk, maar als dat gebeurt in combinatie met morfine, dan schrikken kinderen en partners soms van de hun onbekende bijwerkingen: de schokkerige ademhaling, het plotseling weer half bij kennis komen. Anderen vertelden dat ze ronduit onthutst waren door de uiteindelijk allerminst vredige dood, en de vaak zeer lange en onrustige laatste dagen van hun geliefde, vader of moeder.

Zo vertelde een zoon (37), die acht maanden daarvoor zijn vader verloor: „We hadden ook die laatste periode een goede band, maar de gesprekken die we voerden, werden van zijn kant in toenemende mate bemoeilijkt door de invloed van morfine. Ik zou tegen artsen en familieleden willen zeggen dat het belangrijk is om te beseffen wat morfine doet met een patiënt. Wij waren slecht voorbereid en er werd door doktoren ook een beetje schouderophalend op gereageerd. De lange gesprekken die we voerden waren soms niet geheel betrouwbaar meer. Dat zorgt nu nog voor grote problemen. Er zijn dingen gezegd over mijn moeder die niet, of niet geheel, terecht waren.”

Had de vader in mijn boek het gebruik van morfine tegengehouden als hij had geweten van het effect hiervan op zijn verhalen? Of had hij met zijn gezin dan liever gekozen voor euthanasie? Had huisarts Tromp de bedoeling met de morfine euthanasie te plegen? Ondanks de richtlijnen? En wist de patiënt dit? Dat is niet met zekerheid te zeggen.

Over de doden niets dan goeds. Wellicht had iedereen precies hetzelfde gedaan, maar met dit verschil: alle betrokkenen hadden geweten van de mogelijke gevolgen. De verwarring over de verhalen die de vader vertelde was in ieder geval minder groot geweest. En de weduwe van de patiënt van Tromp had niet drie dagen na de dood van haar man verhoord hoeven worden. Bovendien rijst de vraag of bij een zorgvuldige procedure, zonder angst voor vervolging, Tromp nog had geleefd.

Ik wil ervoor pleiten dat er in ieder ziekenhuis en bij iedere huisarts een ’overlijdensplan’ komt te liggen. Ondersteund door de inspectie en dus door Justitie. Een plan van aanpak waarin (terminale) patiënten aan kunnen geven wat hun wensen, vragen en hun angsten zijn rondom het sterven. Een plan dat met de behandelend arts doorgenomen dient te worden als voorbereiding op de laatste levensfase. Een protocol waarin de arts kan aangeven wat hij wettelijk gezien voor de patiënt kan betekenen, welke pijnbestrijding mogelijk is, en waarin inhoudelijke informatie staat over de laatste, medische handelingen.

Zo’n ’overlijdensplan’ biedt houvast voor de patiënt, en is een stok achter de deur voor de artsen. De dood hoort net als de geboorte bij het leven en moet besproken worden. Goed afscheid nemen kan het stervensproces van de patiënt en het latere rouwproces van nabestaanden een stuk draaglijker maken.

De discussie die Rob Bruntink aanzwengelde over palliatieve sedatie versus euthanasie is overigens een oude discussie. In 1983 stierf mijn moeder in het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, het Nederlands Kanker Instituut. Toen haar dood onafwendbaar was, werd zij samen met ons voortreffelijk voorgelicht door artsen en verpleegkundigen. Destijds heette palliatieve sedatie ’passieve euthanasie’, de huidige euthanasie heette ’actieve euthanasie’ en was strafbaar.

Actief of passief: de dosis morfine verlichte de pijn en het opvoeren van de dosis bracht mijn moeder heel sereen in slaap, en wij wisten allemaal wat ons te wachten stond. Haar rustige dood een paar uur later was een verlossing na veel pijn. En daar ging het om: dat zij, die niet meer beter kon worden, menswaardig kon sterven zonder pijn. Voor haar en voor ons was dat een opluchting, al wekte het enige verwarring dat we hier niet helemaal openlijk over konden praten. Euthansie was immers verboden, mond dicht, zand er over.

Precies 30 jaar later lijkt er niets veranderd te zijn. Opnieuw wordt gediscussieerd of en op welke manier artsen het leven van hun patiënten mogen beëindigen. Het zou de KNMG sieren als zij haar lange tenen intrekt en bij haar achterban nagaat of er sprake is van euthanasievrees door de dreigende rechtszaken.

Ook zou onderzocht kunnen worden of artsen voor euthanasie zouden kiezen als het een medische handeling zou zijn, net als palliatieve sedatie. Daarnaast is van belang welke dosis het beste is als de pijn ondraaglijk wordt. Maar bovenal is het belangrijk dat de artsenorganisatie alle leden stimuleert te blijven praten met patiënten en hun naasten, voor welke laatste handeling dan ook.

Communicatie is van levensbelang, ook tijdens de laatste levensfase.

Daan Westerink schreef ’Leven zonder ouders’, over kinderen en het overlijden van hun ouders. (Ten Have, 2007).

Dit artikel is een herschreven versie van het artikel dat op 9 februari 2008 in Trouw verscheen.

Over Daan Westerink 555 Artikelen
pedagoog (MEd), rouwdeskundige, docent en onderwijsontwikkelaar, publicist, mediator, trainer en social media expert.