Spreek nabestaanden aan op hun kracht en ondersteun ze. Open brief aan Jetta Klijnsma

Op de steigerGeachte mevrouw Klijnsma, beste Jetta,

Hartelijk dank voor het gesprek d.d. 20 maart jongstleden over de aanpassingen van de Algemene Nabestaanden Wet (anw). Ik was zeer onder de indruk van de wijze waarop u het gesprek met mij en andere (ervarings)deskundigen leidde, en voor uw luisterend oor.

Inmiddels begrijp ik dat u het wetsvoorstel enigszins aan wenst te passen. De wens de uitkeringstermijn voor weduwen en weduwnaars te beperken tot 1 jaar (i.p.v. de maximale 18 jaar zoals deze nu geldt) blijft overeind staan, maar na ons gesprek heeft u aangegeven dat wat u betreft gemeenten de taak krijgen nabestaanden goed te begeleiden richting de arbeidsmarkt. Ik kan me hier geheel in vinden.

Ik wil nog een paar opmerkingen toevoegen aan het gesprek, die mijns inziens heel belangrijk zijn.

In de eerste plaats wil ik nogmaals benadrukken dat het er na het verlies van een partner mijns inziens niet om gaat of een weduwe/weduwnaar op den duur weer voor een eigen inkomen moet gaan zorgen, maar gaat het er om hoe hij of zij weer terug kan keren naar de arbeidsmarkt.

Een weduwe of weduwnaar is niet zielig, en moet niet op haar zwakte, maar op haar kracht aangesproken worden. Bij voorbaat stellen dat een weduwe 18 jaar niet in staat is om betaalde arbeid te verrichten, is iemand uitsluiten. Dat is niet de bedoeling. Niet iedereen heeft echter die kracht, maar dat zou niet het uitgangspunt moeten zijn.

De meeste nabestaanden kunnen namelijk, met steun uit de omgeving, op een gegeven moment het leven weer oppakken. Echter hoe zij dat (kunnen) doen, en welke ondersteuning dan nodig is, dat is een tweede, belangrijke vraag. Ook hiervoor geldt: enige steun (vanuit de omgeving, vanuit de overheid) is hierbij wellicht noodzakelijk.

En dit geldt niet alleen voor weduwen en weduwnaars. Ook de meeste ouders van een overleden kind, broers en zussen van een overledene, volwassen kinderen van overleden ouders en andere nabestaanden, kunnen op een gegeven moment het leven weer oppakken, als zij zich tenminste ondersteund voelen.

Dat betekent dat er iets van de omgeving kan worden verwacht. Bijvoorbeeld wat betreft de opvang van de (kleine kinderen), maar ook emotioneel. Daar is echter geen wet voor nodig, maar een maatschappelijke discussie. Het vergt moed van nabestaanden, om deze ondersteuning te vragen. Het hoeft niet, het kan. De wens van nabestaanden zou hierbij leidend moeten zijn.

Daarnaast kan ook van de overheid iets worden verwacht, aangezien ambtenaren nabestaanden in de toekomst actief gaan begeleiden richting herintreding. Kennis over het rouwproces (wat is normaal), kennis over gecompliceerde rouw (wanneer is er professionele ondersteuning nodig) is dan noodzakelijk. Dat betekent niet dat alle ambtenaren massaal op cursus moeten gaan, of rouwzorg moeten bieden, integendeel.

Echter, het is wel noodzakelijk dat diegenen die nabestaanden (ook vanuit de overheid) begeleiden, kunnen beoordelen of iemand na een jaar alweer in staat is om te werken, of niet. Kortom: er dient ruimte te zijn voor uitzonderingen. Daarnaast raad ik aan een sociale kaart op te stellen op het gebied van rouwzorg. Niet iedereen heeft deze zorg nodig, maar indien een rouwproces stagneert, en een nabestaande aangeeft ondersteuning nodig te hebben, dan is het noodzakelijk dat een psycholoog/psychotherapeut (dus geen rouwtherapeut, rouwdeskundige of vrijwilliger) dit bevestigt.

In het gesprek gaf u aan dat ook andere groepen ,die een beroep doen op algemene uitkeringen, soms ernstige problemen hebben. En dat de voorwaarden voor de verschillende uitkeringen onderling enorm verschillen. Ik bespeurde bij u enige wrevel hierover. Ik deel deze. Het is mijns inziens onwenselijk dat er leedconcurrentie ontstaat tussen diegenen die een beroep doen op de ANW en diegenen die om een andere heftige reden tijdelijk niet aan het arbeidsproces deel kunnen nemen. Ouders van een overleden kind, bijvoorbeeld, of diegenen wiens ex-partner weigert alimentatie te betalen na de scheiding. Ook deze groep mensen heeft soms extra begeleiding nodig.

Dat betekent dat de menselijk maat heel belangrijk is. Oog voor individuele verschillen. Door nabestaanden die dat nodig hebben in ieder geval een jaar actief te ondersteunen, waarbij geïnventariseerd wordt wat zij nodig hebben om weer deel te nemen aan het arbeidsproces, geef je de boodschap mee dat zij waardevol zijn voor de samenleving.

Ik ga graag op uw uitnodiging in nogmaals met elkaar in gesprek te gaan over de Anw.

Met vriendelijke groet,
Daan Westerink
Journalist en docent (Hogeschool Utrecht) gespecialiseerd in coping (rouw- en verlies)

 

Over Daan Westerink 554 Artikelen
pedagoog (MEd), rouwdeskundige, docent en onderwijsontwikkelaar, publicist, mediator, trainer en social media expert.

9 Reacties

  1. @Daan Westerink: Ik ben ook wars van leedconcurrentie, Daan. Zelfs tussen weduwen/weduwnaars onderling. Geen enkel leed is vergelijkbaar, dus dat mag nooit een punt van discussie zijn. Die ochtend in maart ging het uitdrukkelijk om de versobering van de uitkering volgens de Anw, maar natuurlijk is ondersteuning vanuit de maatschappij/overheid niet alleen voor deze groep van belang. Wordt ongetwijfeld spoedig vervolgd! Morgen het AO in Den Haag, en – zoals Jetta die ochtend beloofde – zien we het voorlopige wetsvoorstel nog tegemoet voor een kritische blik. Let’s keep in touch, Petra

  2. @Petra van Rij: Dan hebben we allebei iets anders gehoord. Petra, en de discussie is wat mij betreft niet dat er geen ondersteuning nodig is van weduwen en weduwnaars. Die discussie werkt leedconcurrentie in de hand, en daar pas ik voor. En dat iedere weduwe jarenlang ondersteund moet worden door de overheid, dat bestrijd ik. Eerst kijken naar wat iemand nodig heeft, dat is belangrijk. En soms is die steun inderdaad langdurig nodig. Maar dat geldt niet alleen voor weduwen. De grote onderlinge verschillen, die vind ik onacceptabel. Ik ken ouders van een overleden kind die hun werk niet meer aankunnen, en toch moeten. Geen aandacht voor.

  3. @Nelly Snels: Nelly, ik onderschrijf je verhaal geheel! Prachtig wat KIES heeft bewerkstelligd. Zou ook zo graag zien dat jullie en onderzoekers van Universiteit Utrecht (Paul Boelen, Maggie Stroebe e.a.) mee gaan praten over dit onderwerp. Er moet geen onderscheid gemaakt worden. Er zijn situaties waarin mensen ondersteuning nodig hebben. Ook van de overheid. Hartelijk, Daan

  4. Maar Daan, de wens de uitkeringstermijn voor weduwen en weduwnaars te beperken tot 1 jaar (i.p.v. de maximale 18 jaar zoals deze nu geldt) blijft helemaal niet overeind staan. Dat is helemaal niet gezegd in die discussie op 20 maart jl. en dat is ook nooit voldoende, sprak De Jonge Weduwe. Na een jaar begint het pas. Na een jaar besef je pas dat hij echt nooit meer terug komt en dat dood zo d-o-o-d is…

  5. Heel graag onderschrijf ik de belangen die deze brief duidelijk maken. Mensen met rouwervaringen zijn niet zielig maar maken wel een moeilijke tijd door en daar mag meer aandacht voor zijn. Al dan niet met hulp van buitenaf kunnen mensen vaak na enige tijd die zij nodig hebben weer verder. Het is dan wel belangrijk dat er steun en begeleiding of aanpassingen geboden worden waar nodig. We mogen niet uit het oog verliezen dat de omstandigheden van rouw erg verschillend kunnen zijn waardoor binnen verlies ook weer erg grote verschillen kunnen zijn in wat mensen nodig hebben om verder te kunnen. Soms is de periode voorafgaand aan rouw of de situatie van verlies zo traumatisch dat er lange tijd overheen gaat voor men weer kan functioneren. Daarom is globale kennis altijd goed maar vaak ook wel meer specifieke kennis noodzakelijk om mensen geen proces in te laten gaan dat averechts werkt. Rouw processen kunnen ook in stappen gaan met een tussenliggende periode waarin mensen goed functioneren of lijken te functioneren bv. Daar zou ook meer kennis over kunnen zijn en meer rekening mee gehouden moeten worden. Ook voor ouders die gescheiden zijn en hun kind is het van belang dat iedereen in ieder geval de mogelijkheid krijgt om de tijd, steun en begeleiding die iemand nodig heeft te mogen ontvangen. Bij KIES zeggen we altijd: ‘soms is het fijn als er even iemand met je meeloopt…’ Het is de bedoeling om de ander in z’n kracht te laten of te helpen daar weer te staan/komen. Ook bij scheiding kan het verlies van het intacte gezin en de bijbehorende rouwfases in stappen gaan en soms pas een aantal maanden tot jaren na de feitelijke scheiding een rol spelen in het aangaan van de verwerking. Ik denk dat de overheid een heel belangrijke taak kan hebben in deze voorwaarden en door aan het begin te investeren in zowel preventiemaatregelen als waar mensen echt uitvallen door de situatie, er op den duur zowel veel leed als kosten bespaard worden voor personen zelf, omstanders (kinderen, ouders, familieleden etc) werkgevers en overheid. Wat betreft begeleiding bij rouw en (echt)scheiding door KIES is inmiddels 3 keer onderzoek gedaan door de Universiteit van Utrecht, staat het programma opgenomen in de databank van het NJI en heeft het onlangs de Parel van ZonMW gekregen en zijn we erg blij met de aandacht die er voor deze rouwbegeleiding is. Ik ben het met Daan eens dat Gemeentes niet massaal geschoold hoeven te worden in rouw en verlies maar in het kader van de veranderingen rond 2015 in verantwoordelijkheden voor Gemeentes die nogal wat inhouden en de kennis die er tot zover is om belangen goed te kunnen afwegen voor toekennen van gelden dan moet er nog wel het een en ander gebeuren. Meer kennis om te kunnen verwijzen naar effectieve hulpprogramma’s en de juist geschoolde begeleiders voorkomt ook onduidelijkheid voor de mensen die hulp nodig hebben. Naast rouw mbt verlies van een dierbare aan de dood en rouw door verlies zijn er zeker nog veel rouwmogelijkheden aan te geven waarbij gedacht kan worden aan dezelfde behoefte. Ik denk hierbij aan rouw door het meemaken van ernstige ongelukken/ziektes/misbruik van bv je kind. Ouders die de gezondheid van hun kind verliezen doordat ze ineens een kind hebben dat in coma ligt enzv. E.e.a behoeft dus ook aandacht voor bijzondere situaties waardoor de menselijke maat alleen maar nog belangrijk is m.i.! Daan bedankt voor je inzet en je brief en we hopen dat een vruchtbaar gesprek voor je volgt met Jetta Klijnsma! Veel succes!

    Nelly Snels

  6. @Jeannette Rietberg: Dank je wel Jeannette, voor je reactie. Ja, ik vind het heel moeilijk dat er onderlinge verschillen zijn tussen nabestaanden. En ook tussen nabestaanden en bijvoorbeeld gescheidenen, of mensen die door ongeval of ziekte tijdelijk niet kunnen werken. Die onderlinge verschillen in ondersteuning vanuit de overheid zijn niet te rechtvaardigen. En ja, het zal een grote vertaalslag betekenen voor gemeenten om de wet goed uit te voeren en een vertaalslag te maken. But nobody said life was simple 🙂

  7. Beste Daan,
    Dank voor deze mooie brief. Het is belangrijk dat je alle nabestaanden noemt: niet alleen de weduwen en weduwnaars, maar ook de ouders van een overleden kind en de wezen. Persoonlijk vind ik het een grote taak die bij gemeenten wordt neergelegd. De zorg in 2014 ook met dergelijke ‘aanbestedingen’ werken. Het zal een grote vertaalslag worden voor gemeenten om daar goed overzicht in te krijgen. Het voorkomen van leedconcurrentie en ook het handhaven van de menselijke maat lijkt zo voor de hand te liggen. De praktijk wijst helaas vaak anders uit. Rouw en leed en de daaruit voortkomende arbeids(on)geschiktheid laten zich slecht meten. Nederland heeft daarom nog meer pioniers nodig die kennis over de impact en gevolgen van verlies uitdragen.
    hartelijke groet,
    Jeannette Rietberg

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.